Lokale energie financieren: modellen en actoren
Op 21 mei konden we met het LOGES Interreg project aanhaken bij de Dag van de Energiegemeenschap (met focus op bedrijven) in Gent. Tijdens twee parallelle sessies van een uur kwamen sprekers van de Stad Gent, de Provinciale Ontwikkelmaatschappij (POM) Oost-Vlaanderen, REScoop Vlaanderen en Belesco aan het woord, die elk hun eigen perspectief meebrachten.

Bram Roelant van Stad Gent beet de spits af met een presentatie die meteen grote vragen durfde stellen en schetste hoe breed de rol van een stad of gemeente in de energietransitie wel is, of kan zijn. In het kader van het COPPER project wordt op zoek gegaan naar relevante Local Energy Action Plans (LEAPs), die eigenlijk veel meer moeten doen dan alleen vooruit kijken wat betreft energie. Elke vierkante meter is een kostbaar goed in een stedelijke context, en dus komen vragen rond ruimtelijke ordening ook naar de voorgrond wanneer nagedacht moet worden over bijvoorbeeld het installeren van laadpalen of het verzwaren van een elektriciteitsnet. Beperkte ruimte zorgt er ook voor dat individuele oplossingen veel minder een optie zijn in een stedelijke context. Naaste ruimtelijke ordening moet een stad ook kijken naar zaken als een eerlijke verdeling van de kosten en het vermijden van overlast bij openbare werken. De uitdaging is dus zeker niet alleen technisch en gaat ook verder dan het puur financiële aspect: een stad moet streven naar future-proof beleid, dat niet noodzakelijk het goedkoopste is.
De POM Oost-Vlaanderen, vertegenwoordigd door Gieles Kinget, verlegde de focus naar bedrijventerreinen en wat het potentieel is van een collectieve organisatie van gevestigde bedrijven aan de hand van twee cases. In een eerste case werd vooral gekeken naar de mogelijkheden om de reeds beschikbare capaciteit zoveel mogelijk te delen en efficiënt te gebruiken, een insteek ingegeven door een aantal recente ontwikkelingen in Nederland. Het gaat dan over flexibele contracten of groepstransportovereenkomsten. Hoewel deze in Vlaanderen nog niet beschikbaar zijn, loont het al de moeite om opportuniteiten te verkennen door bijvoorbeeld data te verzamelen en een onderscheid te maken tussen de asynchrone verbruikspiek (bekomen door de piek van elk afzonderlijk bedrijf op te tellen, ongeacht het moment van de piek) en de synchrone verbruikspiek (die wél rekening houdt met wanneer een piekverbruik gemeten wordt). Als tweede werd een business case voor een drijvende PV-installatie op een bedrijventerrein in Lokeren gepresenteerd. De installatie zou via drie afzonderlijke directe lijnen verbonden worden met drie aparte bedrijven, die een overschot aan productie verder kunnen (energie)delen met patrimonium in Lokeren en Moerbeke. Met een pay-as-produced aanbod van €70-85/MWh naar de bedrijven werd een 8,5% IRR berekend en valt de business case dus positief uit. Het plan is om dit in praktijk om te zetten en meteen al een gelijkaardig project op te starten op een ander bedrijventerrein. Een succes dus!
In beide presentaties van deze eerste sessie kwam het onderwerp van netcongestie naar voor, een onderwerp waar ook tijdens de rest van de dag veel aandacht naartoe ging. Wat in de workshopdiscussie zelf nog opviel was hoe moeilijk het voor zowel Stad Gent als de POM lijkt te zijn om bepaalde data te verkrijgen van Fluvius. Zowel op bedrijventerreinen als voor het maken van beleidskeuzes is informatie wat betreft bijvoorbeeld nettopologie of verwachte aanpassingen eraan van grote waarde, maar ondanks de publieke aard van alle betrokken partijen, lijkt er bij de distributienetbeheerder toch een terughoudendheid te zijn wat betreft het delen van data.


Over naar deel twee, waar de focus meer lag op het financieren van lokale energieprojecten, met als centrale vragen: wie financiert en wie draagt risico. Tom Stevens van REScoop Vlaanderen bracht het perspectief van de Vlaamse burgercoöperaties. Zij werken vaak met een relatief groot aandeel aan eigen vermogen, opgehaald bij burgers, om zo de schuldenlast van de coöperatie laag te houden en een brede burgerparticipatie toe te laten. Bankleningen worden eerder als beperkte vorm van bijkomende financiering gezien, eerder dan als hefboom voor het maximaliseren van de return voor het eigen vermogen. Welke impact deze benadering heeft op het risico en wie dat draagt zorgde even voor onduidelijkheid, maar uiteindelijk leek het neer te komen op de volgende redenering: de pioniers die als eerste investeren in een coöperatief project nemen effectief een groot risico. Dat is ook de reden waarom coöperaties vaak klein beginnen en geduldig hun activiteiten uitbreiden. Het kapitaal dat echt een groot risico draagt, blijft op die manier over het algemeen vrij beperkt.
Lieven Vanstraelen, jarenlang voorzitter geweest van de Belgian ESCO Association (Belesco), verbreedde het perspectief en bracht deelnemers kennis bij over twee types businessmodellen voor Energy Service Companies. Aan de ene kant is er het klassieke model, waarin een klant of bedrijf on-balance investeert in energiegerelateerde maatregelen of technieken (isolatie, warmtepompen, PV…) en zelf ook het risico draagt. Wanneer de beloofde energiebesparingen of andere winsten niet gerealiseerd worden, dan wordt de investering trager terugverdiend. Aan de andere kant staat het prestatiegerichte model, dat meer outputgestuurd wordt: een ESCO verbindt zich ertoe om aan bepaalde prestatie-eisen te voldoen, waarbij de manier waarop aan die eisen voldaan wordt ondergeschikt is. Het risico ligt dan bij de ESCO en de financiering is vaak off-balance, door middel van eigen middelen van de ESCO, bankfinanciering of derde-partijfinanciering. Onder dit tweede model vallen een heleboel contractmogelijkheden, gaande van Energy Performance Contracts over Energy Supply Contracts tot As-a-Service modellen. In deze veelheid aan mogelijkheden wees Lieven er nog op dat kosten-baten verdeling van een investering vaak één van de moeilijkste elementen is om tot een goeie samenwerking te komen.

Twee goed-gevulde workshop-uren dus, waarin een dertigtal deelnemers weer wat meer te weten kwamen over niet alleen mogelijke financiële benaderingen voor lokale energiesystemen, maar ook over de rol van publieke instanties zoals steden en ontwikkelmaatschappijen hierin.
Voor het LOGES project ontvangt Circular steun van de volgende instanties:

![]()